Het meisje en de prins.
Er was eens een meisje en ze heette Belladonna.
Ze woonde in een groot paleis, waar ze verschrikkelijk verwend werd.
Er waren dienaren die, als ze moest plassen, een wc op wieltjes brachten.
Ze had 25 kamers voor zichzelf, van het paleis met 105 kamers.
10 van de kamers stonden vol met haar spullen: 1was een badkamer zo groot als een gemiddelde aula, 1 was haar slaapkamer met hemelbed die nog twee keer zo groot was als de badkamer. De andere 11 kamers waren vol met make-up en kaptafels. De laatste kamer gebruikte ze het meest, naast de slaapkamer. Op een dag, kreeg ze een bontjas, een nieuwe lading make-up, de glazen muiltjes van Assepoester en een klein roze hondje met een klein roze strikje.
Ze gooide alles in kamer 25 en ging zeuren om een nieuwe pony.”Pap, ik wil een nieuwe witte, jonge, mooie, schone, dure, maar bovenal lieve pony”. De vader zuchtte: ”Ik zal kijken”. Ze werd verwend met allemaal nieuwe spullen, ze kreeg een gouden wc-bril. Ze probeerde hem meteen uit, door op de bril te gaan zitten. Ze wilde net doortrekken toen haar vader riep:”Schat, kom eens”. Belladonna verwachtte dat ze nog meer cadeaus zou krijgen en rende naar haar vader toe. Die zei: “Schat, je gaat een paar nachtjes bij een prins slapen”. Belladonna keek totaal niet blij meer. Ze pakte haar koffers en de volgende ochtend vertrok ze.
Toen ze een weekje bij de prins had gelogeerd, ontving ze een brief. In de brief stond dat haar vader en moeder in een tragisch ongeluk waren omgekomen. Ze zaten in de limousine toen er een grote bus op hen inreed. Ze vertelde dat aan de prins en hij deed alsof hij medelijden met haar had. De volgende ochtend deed hij helemaal niet aardig meer. Ze werd weg gepest en moest klusjes doen. Ze besloot die avond nog weg te lopen. Ze pakte haar koffers en haalde snel een schoon washandje over haar betraande gezicht. Die avond ging ze, via het raam, naar buiten. Ze sprong van 2 hoog naar beneden en belandde in de rozenstruik. Ze rende het tuinpad af. De hond van de moeder van de prins, genaamd Grompie, een buldog, kwam blaffend achter haar aan. Ze rende over het tuinpad en kwam op de weg. Met groot geluk kwam er geen auto aan en ze rende naar de slootkant. Grompie kwam net niet onder de volgende auto. Hij kwam langzaam op haar af en ze viel in de sloot. Ze dacht dat ze er geweest was, maar ze viel in een bootje. Er zat een oude man in en die nam haar mee naar zijn boshutje. Hij heette Jonathan en voedde haar op als zijn eigen kind. Zo leefden ze nog lang en gelukkig.
Julia |